Inhoud Inleiding
  Uitgangssituatie
  Biologische afbraakprocessen Fase-1
 

Onderzoek naar mogelijkheden voor toepassing gestimuleerde anaërobe dechlorering

  Conclusies



4. ONDERZOEK NAAR MOGELIJKHEDEN VOOR TOEPASSING GESTIMULEERDE ANAËROBE DECHLORERING

Om te onderzoeken of het dechloreringsproces op de locatie 'Uden-centrum' gestimuleerd kan worden door toediening van een elektronendonor zijn met bodemmateriaal en/of grondwater van de locatie anaërobe batchproeven uitgevoerd, waarin de afbraak van PER onder verschillende omstandigheden is onderzocht. De batchproeven zijn door verschillende partijen uitgevoerd, waarbij aan de batchproeven telkens een andere vraagstelling ten grondslag heeft gelegen.
• Door TNO zijn voorafgaand aan fase 1 anaërobe batchproeven ingezet om te onderzoeken welk type substraat het meest geschikt is voor stimulatie van de anaërobe dechlorering tijdens uitvoering van fase 1 en 2. Deze batchproeven zijn eind 1998 en begin 1999 uitgevoerd met grond en grondwater van de locatie.
• Nadat tijdens fase 1 bleek dat als gevolg van de toegepaste Bio-bore reeds gedeeltelijke dechlorering van PER tot c-DCE optrad zijn eind 1999 door Wageningen Universiteit opnieuw anaërobe batchproeven uitgevoerd. Deze hadden tot doel te onderzoeken of in grondwater en grond afkomstig uit de gestimuleerde infiltratiezone reeds een bacteriepopulatie aanwezig is die in staat is de gevormde c-DCE verder om te zetten tot VC en uiteindelijk etheen en/of ethaan.
• Voor het aanleggen van de drains in fase 2 is gekozen voor toepassing van een ander biologisch afbreekbaar boormiddel dan Bio-Bore. Dit omdat gebleken is dat Bio-Bore lang in de bodem aanwezig blijft en moeilijk wordt afgebroken, hetgeen nadelig is voor een voorspoedige bronontwikkeling. Tijdens fase 1 is daarom contact gezocht met Avebe, de leverancier van de hoofdbestanddelen (zetmeelderivaten) van diverse typen boorspoeling. Om te onderzoeken of mogelijke alternatieven voor Bio-Bore ook de anaërobe dechlorering stimuleren zijn door Bioclear in 2000 opnieuw anaërobe batchproeven uitgevoerd met grondwater van de locatie. Naast deze alternatieve boormiddelen is tevens een restroom van het productieproces bij Avebe (protamylasse) onderzocht op de geschiktheid voor stimulatie van de anaërobe dechlorering.
Uit de uitgevoerde onderzoeken is duidelijk gebleken dat met de van nature op de locatie Uden aanwezige micro-organismen alleen afbraak optreedt van PER tot cis-DCE. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de matig gereduceerde condities (aanwezigheid van nitraat en sulfaat) in het grondwater op de locatie. Toediening van een elektronendonor alleen is niet voldoende om de limitaties op korte termijn op te heffen. Dit blijkt ook uit de veldmetingen gedurende fase 1 waarbij een periode van anderhalf jaar niet voldoende bleek te zijn voor vergaande dechlorering tot VC of etheen. Middels labonderzoek is gebleken dat toediening van dechlorerende micro-organismen kan leiden tot volledige dechlorering van PER tot etheen. Binnen een tijdsperiode van de gestelde 5 jaar wordt verwacht een sterke reductie in VOCl te kunnen realiseren door toevoeging van dechlorerende micro-organismen .

Uit twee onderzoeken blijkt dat door biologische omzetting van BioBore het dechloreringsproces wordt gestimuleerd. De hoeveelheden boorspoelmiddel die gebruikt worden bij het aanleggen van de horizontale drains zijn echter niet voldoende om het te saneren bodempakket volledig van elektronendonor te voorzien, zodat een aanvullende elektronendonor moet worden toegediend. Als elektronendonor zijn complexe koolstofbronnen, zoals de geteste reststromen van de levensmiddelenindustrie, goed bruikbaar. Wel dient rekening gehouden worden met het optreden van verzuring (door omzetting van het substraat of door het dechloreringsproces). De concentratie elektronendonor mag daarom niet te hoog worden (een concentratie van 1,7% w/v in het grondwater zorgt al voor een remming van biologische processen).



Samenvatting rapport "Evaluatie Fase-1 Biologische in situ sanering Uden-centrum"
(Bioclear, rapp. nr. 2000.1389; november 2000)